Tegenstellingen (niveau 1)

Keuzelijst-oefening

Kies de juiste tegenstelling uit de lijst.
aan
achter
klein
nat
goed
binnen
alles
altijd
ziek
dik
duur
arm
hard
jongen
makkelijk
links
mooi
ochtend
oom
opa
begin
binnenland
blij
boven
broer
dag
dames
dicht
dichtbij
donker
dood
druk
eerste
erna
eten
geven
half
heen
heet
hier
hoog
iemand
in
ingang
ja
knap
kort
koud
laag
laatste
langzaam
later
leeg
lekker
licht
man
mannelijk
maximaal
meer
modern
mondeling
na
niet
nieuw
omhoog
op
op tijd
oud
soms
staan
vader
veel
vergroten
vies
vlug
voordeel
vroeg
winter
wit
zoet
eten
komen
openen
praten
trouwen